Wat vooraf ging
Spitsbergen was een test. Vind ik dit verschrikkelijk, dan ben ik er in ieder geval geweest. Vind ik het wekenlang ploeteren met een rugzak van mijn halve lichaamsgewicht leuk, dan ga ik investeren in goed materiaal. En zo geschiedde.
Ik kocht een goede slaapzak, rugzak, fatsoenlijke schoenen. Alles van hoge kwaliteit, want dit was echt GEWELDIG!
En zo besloot ik samen met een reismaatje van Spitsbergen het avontuur in Noord-Oost Groenland op te zoeken, op zoek naar ijsberen. Er was alleen één probleem. Er waren maar twee deelnemers: mijn reisgenoot en ik. Dus werd de reis omgezet naar Oost-Groenland.
Ik zal hier geen dag tot dag uiteenzetting geven. Die informatie kan je vinden op de pagina’s van reisorganisaties. Hier zal ik mijn ervaring delen op deze bizarre, levensveranderende reis
En wat daar gebeurde had niemand ooit durven voorspellen. De Wet van Murphy in het kwadraat. Graag neem ik je mee in dit bizarre en ongelofelijke avontuur dat op IJsland begint als ik midden in de nacht wakker word. CAMERA VERGETEN in het vliegtuig. Hoe dan??? Met geluk was de bij de gevonden voorwerpen terecht gekomen. Maar ja, ik had alleen een klein compact camera’tje. Enfin, dan maar zonder.
We vliegen naar Kulusuk Airport en onderweg komen de eerste ijsschotsen in zicht. Het worden er meer en meer. En mijn zin stijgt equivalent aan het aantal ijsschotsen. De sfeer is bovengemiddeld goed. Met een heerlijke groep lachen we vanaf het eerste moment de pijn in de buik, ondanks de gevarieerde groep. Of misschien wel dankzij…
Na een nachtje wildkamperen onder het bordje ‘beware of the polarbear’ dat door de gids als ‘couleur locale’ bestempeld wordt varen we met een inuït naar ons startpunt. Hij en mijn reisgenote varen eerst naar de plek van het voedsel- en brandstofdepot op 7 dagen wandelen. Zo houden we de bepakking licht.
Onderweg zien we hoe de walvissen uniek om ons heen zwemmen in het diepe, bijna windstille fjord. Adembenemend is deze tocht nu al. En na een indrukwekkende boottocht staan we daar dan… Met ons hele hebben en houden op de oever van het Sermiligaaq fjord om in de komende dagen naar het Sermaliqfjord te wandelen en klimmen.
De sfeer is goed, maar toch knaagt er iets. Mijn leeftijds-reisgenote en ik hebben thuis gezien dat hier gewaarschuwd wordt voor ijsberen. En ook dat ene bordje doet ons alert zijn. Maar de reisleider verzekert ons: nee, hier zitten echt geen ijsberen. Dat is Noord-Oost Groenland. Jullie hebben je vergist. En maak je geen zorgen, ik kom hier al 18 jaar. Nog nooit een ijsbeer gezien.
De sfeer blijft onverminderd goed. Dagelijks duiken we een gletsjermeer in, en op de rustdag aan het Sermalikfjord kunnen we eindelijk onze haren in het ijskoude beekje wassen en maken we alvast de kerstkaarten door ijsschotsen te knuffelen in het fjord. Er is echter één smetje. Onze oudste reisgenoot heeft pijn in zijn schouder, én de zolen zijn onder zijn schoenen vandaan gevallen. Iedere reis gebeurt dit wel eens bij iemand, maar al na enkele dagen is zorgelijk. Hij repareert de zolen, maar met 20+ kilo extra krijgen ze het zwaar te verduren. En de pijn in de schouder wordt ook niet minder met dat gewicht erbij.
Omdat rust hem niet helpt en we bijna bij het depot aankomen besluit hij dat hij echt niet verder kan. En dat is maar goed ook, want achteraf blijkt hij een gebroken schouderblad te hebben waarvoor hij in het ziekenhuis behandeld wordt. Hij ontsnapt gelukkig aan de grotere nachtmerrie die op de loer ligt.
In het depot is een benzinetank gaan lekken. Al mijn noten, mijn enige voer naast de drie maaltijden proeven naar benzine. Een verschrikkelijke domper. Maar goed. Met wat reepjes van anderen ben ik al heel blij. En zo houd ik wat energie over. We pakken de draad verder op nadat onze reisgenoot geëvacueerd is naar Tasilaq en doorkruizen epische blokkenveldjes, gletsjers en diepe dalen met waanzinnige uitzichten. We zien pootafdrukken van een heel groot beest en mijn reisgenote en ik benoemen dat dit wel eens van een ijsbeer kan zijn. Dat is echter onmogelijk omdat de nagels ontbreken aldus de reisleider. We zien uitwerpselen die onmogelijk van een poolvos kunnen zijn qua formaat en samenstelling, maar hij houdt vol dat het onmogelijk is gezien zijn 18 jaar ervaring. Toch blijven we op onze hoede
De reis blijft genieten. Samen vanaf een bergplateau de zeemist zien optrekken bij een bijna-ondergaande zon, uren praten en Descartes”Ik denk, dus ik ben’ tot in detail analyseren op ieder voorval tijdens de reis zorgt voor hilariteit ten top. Het is een groep uit het boekje.
Op één dag ben ik flink emotioneel. Mijn moeder wordt deze dag aan borstkanker geopereerd en ik wacht met spanning op het bericht via de satelliet telefoon. Als het verlossende bericht komt: de operatie is geslaagd is dat een opluchting. Maar de emotie blijft even. Dat herken ik van mezelf. Laat mij dan maar even darren. Het is mijn manier van ontlading.
De volgende dag ben ik er weer en loop ik voorop om de pas te bestijgen. Want in daling ben ik traag en voorzichtig. Maar stijgen is mijn kracht. En in het dagelijkse zonnetje is dit een feestje.
Zo komen we in Tiniteqilaaq aan. Een dorp met 200 bewoners. Er hangt een enorm ijsberenvel te drogen en we benoemen dit. De reisleider wimpelt wederom een signaal af: ‘Dat is in de winter gevangen hier ver vandaan. Je weet toch ook wel dat ze ijsberen jagen met de sneeuwscooters?’
We nemen het maar aan. En doen wat boodschappen in de lokale winkel waar we een halve cultuurshock ondergaan. Omdat hier maar tweemaal per jaar een boot met goederen aankomt, zijn de schappen nagenoeg leeg. Maar de rij bij de bank van de winkel is lang. Het blijkt ‘payday’ te zijn, de dag dat de inuït hun toelage uit Denemarken krijgen. Ze halen deze op en verpatsen het gelijk voor drank. Ik kies liever voor wat Tuc-snacks aangezien mijn nootjes oneetbaar zijn.
Daarna reizen we per boot naar het Ammassalik-eiland met de typische vijf meren die van klein naar groot richting Tasilaq, onze eindbestemming leiden.
Voor we die meren bereiken steken we een gletsertje over. Hier staat een levensgrote rotsformatie in de vorm van een (jawel) ijsbeer. ‘Zie je wel, heb je er weer eentje’ roepen we grappend. Het begint op te vallen dat de reisleider laconiek op voorvallen reageert waar wij alert op zijn en hij vraagt waarom dit is. We hebben inmiddels de diefstal van schoenen, een pollepel en poedermelk achter de rug door een vos, konijn en wilde hond. Wat staat ons nu te wachten.
We slapen die nacht bij ‘Meer 1’ en moeten wandelend eten vanwege de bijtmuggen. Inmiddels zijn de wondjes op onze benen niet meer te tellen ondanks de dikke broeken en plastic tassen om de voeten. Jeuken doet het niet eens meer. En bij ontwaken de volgende ochtend heb ik een echt zondagsgevoel. Gelukkig de anderen ook. Op deze ‘snikhete’ ochtend gaat alles in de vertraging. Het is windstil en ik wil eigenlijk niets liever dan foto’s maken van deze fenomenale situatie. ‘Wat zijn jullie de traagste en meest luie groep die ik ooit gehad heb’ roept de reisleider bij herhaling. En ik denk alleen maar: ‘barst man, laat me even mijn ding doen. Onderweg komen we de allereerste en enige tent tegen die we op onze reis zien…
Zo besluit ik dat ik helemaal geen zin meer heb om die berg bij ons volgende kamp te beklimmen. Ook mijn reisgenote en een andere vrouw denken er zo over. Wij prepareren het eten voor vanavond. Komt allemaal in orde. Vreemd genoeg wil de reisleider de satelliet bij ons achter laten in geval van nood. Wij vragen hem verbaasd: er zijn toch geen gevaren hier? Jullie gaan die berg op, hou hem lekker bij je. De groep verdeelt zich op deze manier in tweeën. En de meiden hebben een heerlijk relaxte dag. Denken we.
Ik stal mijn eten uit, laat mijn slaapzak en tentinhoud luchten op het dak van mijn tent. En ga even op een zak spaghetti als kussen in het zonnetje genieten na een bad in het ijskoude meer. En ik val in slaap…
Waar ik bruut uit ontwaak als ik nog net, heel ver weg ‘SAAASSSSSSSS IJSBEEEER’ hoor.
Het is niet zomaar een kreet. Het is, blijkt achteraf, de laatste noodkreet van mijn reisgenote die uit man en macht al aan het lopen is. Ik lig dan blijkbaar al heel diep te slapen en ontwaak alleen met de woorden ‘Jezus, NEEEEEEEEE’ terwijl ik opspring en het ook op een rennen zet. Dan weet ik: ik kan hardlopen. En in crisis organiseren.
Want één van de meiden wil het water in rennen. De ander blijft versteend staan en ik loop al snel voorop, weg van dat beest met die twee pups erachteraan.
Ik heb in één keer door waar de wind vandaan komt, hoe we met de wind mee moeten lopen om zo min mogelijk geur te verspreiden. Er zijn geen bomen en geen hoge rotsen waar we achter kunnen schuilen dus we rennen door de rivier tot we een grote steen tegenkomen. En daar zitten 2 mannen van het tentje met een satelliettelefoon en camera die dit tafereel aanschouwen. 3 vrouwen waarvan één in een bh en wandelbroek. Wat is dit?
Doodkalm beschrijft één man via de satelliet dat we hulp nodig hebben. Duidelijk is dat men het aan de andere kant niet gelooft. Ik trek de telefoon uit zijn hand en geef daadkrachtig de instructies over onze locatie, de situatie en dat er mensen op de berg in gevaar zijn.
Dán pas komt er actie vanuit de hulpdiensten. Echter. Dit is uniek, in de afgelopen decennia niet gebeurd. Er moet een protocol afgestoft worden en mensen moeten gevonden worden die de evacuatie leiden. Na een half uur bel ik weer op. Wat is de stand van zaken.
Ze komen eraan
Na 45 minuten horen we de rotoren van de helikopter door de vallei heen schetteren. Het rode gevaarte komt eraan en wij beginnen te zwaaien. ‘Hier zijn we, hier moet je heen’. Hij raast langs ons en we hebben het niet meer. ‘Zien jullie ons niet? Help ons’. Dan keert hij om en we snappen het. Om de ijsberen niet onze kant op te drijven vliegt hij de situatie vanuít onze kant aan. Zo drijven ze de ijsberen terug de bergen in. Weg van het kamp. En kunnen we terug naar het kamp lopen.
De heli stijgt weer op om de groepsgenoten van de berg te redden. Wij ruimen ondertussen de puinhoop op. Ik heb geen slaapzak meer. De tent en rugtas zijn open gereten. En wederom is mijn eten weg. Geen Tuc’ies, geen droogvlees en zelfs de zonnebrand is op.
Zij hebben de situatie vanaf de berg gezien en hadden een iets andere invulling van de situatie: dit zijn rijke toeristen die eens een primitief kamp willen bezoeken, de meiden hebben een pizza besteld… Ze moeten wat aan hun kleur doen, die meiden zien lijkwit als stipjes beneden… Niemand heeft bedacht dat het een extreme noodsituatie was. En de reisleider?
De reisleider bagatelliseerde de situatie.
Hij vond het allemaal maar onzin wat er gebeurd was. Later zal de derde vrouw die achterbleef hetzelfde zeggen. Dat dier huppelde gewoon vrolijk het kamp in. Die had geen kwaad in de zin met twee schattige pups. Wij, die naast elkaar lagen te slapen, overdrijven het maar.
Maar als je een beer kunt ruiken zo dichtbij als het is, dan weet je dat je moet vluchten.
Later zal de eigenaar van The Red House in Tasilaq dit beamen. Hij komt ons tegemoet en zegt dat we geluk gehad hebben: ‘Gelukkig had ze geen pups’. Ze had twee pups. Hij is even stil en vervolgt: ‘Als je op de grond ligt, zien ze je voor een zeehond, dus voedsel aan’. Ik lag op de grond. Hij kijkt me doordringend aan en verordeneert: ‘Meekomen’, ik zag grijs van de schrik, en moest mijn verhaal kwijt.
Vanaf dat moment is de sfeer veranderd.
Wij worden als thrillseakers gezien, en het is onterecht dat de reisleider zaken genegeerd heeft. Echter laat hij ontglippen dat hij tijdens de dropping bij het voedseldepot een filmpje van een ijsbeer op een ijsschots te zien had gekregen. Mijn reisgenote had hier een flard van opgevangen en hij negeerde iedere aanzet tot handelen.
Hij had de morele plicht een wapen te organiseren en nachtwachten op te zetten. Hij had de groep nooit, maar dan ook nooit in tweeën mogen splitsen met de kennis die hij had. En dat heeft mij bijna het leven gekost.
Dankzij de alertheid van onder meer Roberto Peroni, de eigenaar van The Red House en mijn reisgenote had ik het besef dat wat hier gebeurd was niet in mijn eigen handel lag. Ik heb er belangrijke lessen uit getrokken en het herstel na deze situatie nam veel tijd in beslag
Doe te allen tijde eigen onderzoek voor je je in een avontuur stort. Wat zijn de kansen, risico’s en hoe beperkt ik deze?
Ik volg mijn gevoel, pas als buik, hart en hoofd op één lijn zitten vertrouw ik erop dat het goed zit. En vergeet niet: de buik en het hart liegen niet. Alleen kan je hoofd (ratio) roet in het eten gooien.
Durf te vragen. Verduidelijking, onderbouwing. Per situatie verschilt wat nodig is om een afweging te maken.
Durf de dialoog aan te gaan. Iemand kan 18 jaar ervaring hebben en toch (door een mentale/emotionele toestand zoals in dit geval verliefdheid) signalen missen.
Wees je bewust dat drijfveren gedrag veroorzaken. De impact van zo’n gebeurtenis heeft er bij mij toe geleid dat ik heel dicht bij mijn gevoel blijf. En als ik toch de ratio volg heeft dat bijna altijd een averechtse uitkomst.
Voel – Doe – Ervaar
