Hoe het begon
Doordat ik in een forse dip raakte na Antarctica wist ik niet goed waar ik mijn motivatie vandaan moest halen. Toen op Antarctica na ruim 30 kilometer het besef indaalde dat ik mijzelf echt wel bewezen had kwam daar eerst heel veel trots op.
Maar tegelijk ook een stukje schaamte, verdriet en misschien ook wel een stukje verlies. Want… Als ik mezelf niet meer hoef te bewijzen naar mijzelf, en al helemaal niet naar de omgeving toe. Wat motiveert mij dan? Is dat wat Arshad indertijd zei, om anderen te helpen?
En hoe zit dat dan? Als ik het zelf niet eens weet, wat heeft een ander daar dan aan? Helemaal niets. Ik voel mezelf geen guide, coach of wegwijzer. Ik voel mezelf. Gewoon, mezelf. Net als ieder ander. Gewoon, ik. Maar wel iemand die doet wat goed voelt en die kansen pakt.
Dus toen Oliver belde kreeg ik dat gevoel terug dat Austin Powers ook wel Mojo noemde. Ik wist waarom ik het deed. En ik wist dat ik mensen kán inspireren. Wat nou als mijn zingeving bijdraagt aan de mentale gezondheid van heel veel mensen. Wat nou als dat synergetisch met elkaar verweven is?
Die gedachte deed mij de hardloopschoenen weer aantrekken en ik wist ook wel: het wordt in Montafon geen toptijd. Maar wél een finishtijd. Ik had nog een paar weken om vanuit bijna niets naar 42.195km op te trainen. En ik voelde aan alles, niet alleen wist ik het dus. Ik vóelde het: ik kan dit.
We starten rond 08 uur en zelfs dan is het al warm. Ik weet, dit gaat zwaar worden. En eigenlijk begint hij zoals veel wegloopjes starten. Zo’n 200 deelnemers spurten er vandoor, ik start weer eens bijna achteraan en door mijn slechte voorbereiding zal dat niet veranderen.
Als het publiek weg is, het asfalt stopt besluit ik het lopen in wandelen om te zetten. Mijn hartslag zit binnen 1,5 kilometer al boven de 165. Dit signaal niet negerend voel ik me comfortabeler om in het begin zuinig met mijn energie om te gaan. En wandelen gaat me nu goed af.
Zodra we St Anton verlaten begint de klim. En dat is een klim over boomwortels en smalle paadjes. Beneden blijft de rivier als een knalblauwe stroom doorrazen.
Ik stijg verder door in mijn eigen tempo. Het is lastig om me niet gek te laten maken door de passerende lopers. Al loop ik een enkeling ook voorbij. Een deel van de route heb ik gelukkig een paar dagen geleden al gedaan en daardoor weet ik dat we straks weer onder de koele bomen kunnen lopen. Maar voor hoe lang?
Aangezien we straks toch echt de boomgrens passeren zal dat nog wel warm worden.
Ik merk dat ik teveel met ‘straks’ bezig ben. Veel te veel aan het denken en malen ben. Dat kost bakken energie en is verspilde moeite. Ik ben nú aan het lopen. Ik weet waarom ik het nú doe. Niet straks. Straks kan ik uitrusten en genieten van een ijskoud glas weet-ik-veel-wat.
Bij één van de hoogte verversingspunten kom ik een van de jonge Nederlandse lopers tegen. Hij zit in een isolatiedeken gewikkeld. Ik duik achter de tafel en vraag wat er gebeurd is. Die heeft zichzelf over de kling gejaagd. De hoogte, de hoge temperatuur, weinig water en vannacht al wat misselijk. Het werd hem teveel. Super rot. Maar het kan gebeuren.
Als ik mijn route vervolg kom ik de volgende twee Nederlandse mannen tegen. Eén hinkt. Last van de knie en zelfs voor mij ligt het tempo aan de lage kant. Daarom nemen we afscheid en later hoor ik dat ook zij uitgestapt zijn. Ik schrik er van, want ookal is het warm, is het flink klimmen… Het is te doen. Inmiddels zit ik in mijn ritme en begin ik plezier te krijgen.
Op het plateau tussen St. Anton am Arlberg en Silbertal liggen wonderschone bergmeren. De route loopt door bergstromen en over de keien heen. Het is zo adembenemend mooi… Ik begin eindelijk in mijn ritme te komen en kan weer lachen. Vooral omdat die stroompjes verkoelend water in mijn pet geven en ik mijn voeten even kan koelen. Lopen met natte voeten kán heel fijn zijn.
Na een aantal kilometers begint de afdaling waar ik naar uitkeek. Heerlijk gooi ik mezelf naar beneden en het lijkt alsof ik vlieg. De wind lijkt een beetje verkoeling te geven aan mijn natte shirt. Perfect. Lang duurt het niet want de volgende zinderende klap hitte wacht op me als het weer vlak wordt.
Maar daar heb ik wat op gevonden. Want dan ga ik toch gewoon even ponies aaien? De paarden zijn verzot op zout met deze warmte en ik ben dat laagje kwijt. Ik zeg win-win. En zo koel ik even wat af, om vervolgens weer verder te dalen. Op het allerlaagste punt staan mensen klaar met een tuinslang klaar om ons nat te spuiten.
Het is top en inmiddels zit ik op bijna 30km. Op mijn vraag wanneer de laatste klim begint, lacht de man en zegt dat deze nú aanvangt. Oei… en die klim zal me nog lang bij staan.
Want ook hier geldt: pijn zit wederom in de staart. En niet zo’n klein beetje ook. Het pad leidt door het dichte bos, en lijkt werkelijk oneindig door te gaan. Ik kan me niet herinneren dat de eerste klim, die op papier veel hoger is, daadwerkelijk langer duurt en hoger is.
Ik loop inmiddels al een uurtje met drie andere mannen op. We hebben een gezamenlijk goed tempo. Maar dan…
Dan word ik heel erg misselijk. Niet een klein beetje. Maar ik moet overgeven. Alleen komt er niets meer. Ik weet niet waar ik het zoeken moet. Ik heb nog een klein beetje water. Drink dat maar er komt nog niets.
Een auto stopt, vraagt of ik mee wil rijden. Dat gaat niet gebeuren. Ik maak dit af. Lopend. En de verversingspost is nog 10 minuten lopen. Daar is mijn redding: kaas, worst, gezouten aardappel, water en alcoholvrij bier met sinaasappels.
Ik prop me werkelijk vol (voor zover dat bestaat) met 2 stukjes sinaasappel, een stuk kaas en een stukje aardappel. Ik vul mijn waterzak met water en zout en voel zo de energie weer door mijn aderen vloeien.
Bi-zar wat ik voel. Mijn lijf vult zich met energie en ik begin weer te leven. Alsof ik zo’n luchtopblaas-ding ben dat gevuld wordt. Armen gaan weer naar opzij en ik loop. En ik blijf lopen. Zo hobbel ik die laatste 9 kilometers weg. Langs watervallen, de wildklotsende rivier. Via boerderijen, zo het dorp in waar René me op staat te wachten en de laatste 500 meter lopen we samen uit.
Beduusd van de loop, van wat het lijf aangeeft, aankan en zo snel het kan herstellen met een beetje brandstof erin, zit ik op een boomstronk. Ik ben trots. Heel erg trots op wat ik zojuist gedaan heb. Weer geldt: gewoon de eerste stap zetten. Die stap erna ook, en daarna, en daarna…. Dat geldt niet alleen voor sport. Maar voor álles in het leven. Hoe vaak stoppen we bij de gedachten, nog voor de start?
