Hoe het begon
‘Nog maar minder dan 100 kilometer’ dacht ik tijdens een loopje in januari 2026. ‘Dan moet ik niet meer, dan mág ik. Wat een verademing’. Een totaal demotiverende gedachte die ik snel overschrijf. Alleen al lopen met een lach helpt me. Daarnaast stel ik mezelf een korte termijndoel: Deze 100 kilometer is de warming up van wat volgt.
En zo laat ik de ruimte open voor de rust waar mijn lijf behoefte aan heeft, maar motiveer ik mezelf om toe te werken naar deze laatste marathon met Kilimanjaro als ’tussenstop’ en warming up. Zo krijg ik een enorme motivatieboost en kijk ik er ook echt naar uit om de Grand Slam te volbrengen.
Fysiek speelt een ander dingetje op. Op Kilimanjaro ging ik na 24 kilometer keihard door mijn enkel. Met een blauwe, dikke enkel loop ik nog 18 kilometer door en de dag erna moet ik nog 8 kilometer op oneffen terrein. Hopelijk kan ik de weken voor Motatapu op 7 maart die enkel wat ontlasten en tegelijk voorbereiden.
Op Nieuw Zeeland loop ik een aantal FANTASTISCHE trails. Mijn enkel is stijf en na een loopje pijnlijk. Maar het is houdbaar. Er is duidelijk niets gebroken of gescheurd, dus op geleide van de pijn kan ik voorbereiden.
Op de Nieuw Zeeland pagina doe ik uitgebreid verslag per trail. Hier focus ik me echt op de uiteindelijke wedstrijd die op 7 maart vanuit Lake Wanaka naar Arrowtown op het Zuid Eiland plaatsvindt.
Doordat we onderweg leuke mensen ontmoeten haken ook medereizigers aan. En wat fijn dat René daardoor met bekenden loopt. Echter zijn er weinig ‘dwazen’ in onze omgeving te vinden die ook de hele marathon lopen hier.
In de weken toewerkend naar het evenement borrelt de zin steeds verder op. Van onzeker naar ‘ik kan dit gewoon’. Maar er zit ook wel iets van afscheid, einde.
Vroeger vond ik het altijd jammer om iets af te ronden. Dan is het eindig, over, klaar. En daardoor zat ik altijd met losse eindjes. Een half afgemaakt shirt of breisel. Of een opleiding waar ik een paar jaar extra de tijd voor nam. Zonde want zo blijf ik zitten met onrust.
Ik noem dit het ‘jaar van de afronding’ en dat voelt goed. Zo opent zich de wereld naar nieuwe kansen, mogelijkheden en is er ruimte voor ontwikkeling.
In alle vroegte wandel ik naar de bus om de hoek met mijn havermout in de hand. De lucht voelt als zo’n dag waarvan je weet dat het een warme nazomerdag gaat worden. Heerlijk om lekker in de hangmat te genieten van een goed boek. Niet om me 42,195km in het zweet te werken ergens op een berg.
In de bus is het een gespannen gezelligheid en al snel praten we honderduit over werk (50 en gepensioneerd, het kan in Nieuw Zeeland gemakkelijk), reizen en uiteraard het lopen. Het parcoers gaat één keer per jaar open en is uniek in Nieuw Zeeland. Dat belooft wat.
De rij naar de dixies ook. Ik zie zeker 150 vrouw staan en besluit ergens tussen de bosjes mijn geluk succesvol te beproeven. Ik ben leeg, dus we kunnen.
Aan de start sta ik helemaal in mijn focus. Mijn bubbel is nu even fijn en we krijgen nog even fijntjes de cut-off tijden te horen: 2 uur tot het 9km punt, 4,5 uur tot het 17,5km en dan nog een tijd. Geen idee. ‘Als ik die 9km maar haal’ giert door mijn hoofd. En waarom? Omdat ik echt denk dat ik geen 4,5km/u kan lopen? Hou toch op zeg. Keer op keer bewijs ik het tegendeel.
Dan klinkt het startschot om 09.30u en in een absoluut sukkeldrafje van 8km/u bergafwaarts loop ik best lekker. Hier houd ik het wel even vol zo. Maar dan gaan we stijgen. En we blijven stijgen. Ik had al gezien dat dit de komende 28 kilometer nog zo zal blijven. Hartslag giert omhoog, en ik besluit te wandelen. Maar wel in zo’n tempo dat ik uren vol kan houden.
Mens, wat heb ik het warm in de volle brandende zon. Het water gutst mijn poriën uit zodra ik weer in looppas ga en dan verschijnt na een bocht de eerste beek als een verkoelende gift. Pet onder water, schoenen lekker nat. Zo fijn
Niet veel later volgt het eerste checkpoint: 9 kilometer in nog geen anderhalf uur. Ik heb dat gehaald! Water bijvullen, dikke laag zonnebrandcrème en wat maagvulling. Toch merk ik niet de vrolijkheid die ik vorige keren had. Het pad is weliswaar onverhard, maar je kan hier ook met een karretje komen. Of mountainbike.
Dan kijk ik voor me – door mijn enkel durf ik niet zo goed op gevoel te lopen – en het uitzicht is onbeschrijfelijk mooi. In de verre diepte meandert een rivier, de bergen nodigen uit om het hoekje om te kijken en zelfs de varens laten zich zien. Ik vergeet mijn stille klaagzang en zet een tandje bij.
Op die manier begin ik mensen in te halen. Mensen die hardlopend de berg op ploeteren. Door mijn loopmanier kan ik zo lang efficient lopen, dat ik steeds vrolijker word. Ik zie mensen langs de kant zitten met rood hoofd of voor me uit zwalken.
Dat meld ik bij de medics die op en neer rijden. Fijn dat die hier steeds rijden. Straks stopt dat omdat het dan onbegaanbaar wordt, blijkt later. Maar eerst nog een aantal checkpoints afvinken. Inmiddels hoop ik vurig op een checkpoint met iets anders dan energydrink, water en bananen/zoete koek. Maar het is er niet. Ik snak naar zout. Gewoon, zout en zuur. En het is er niet…
Als het niet gaat zoals ik wil, wil ik maar zoals het gaat.
Het klinkt raar, maar ik kan me druk maken over hetgeen niet gaat zoals ik wil. Of ik kan dat ombuigen en die behoefte later te stillen. Zo loop ik door met de beloning in het vooruitschiet van een heerlijke sinaasappel met patat (of pizza) richting het hoogste punt.
Dan is daar dat éne bordje: Highest point, 875m hoogte. Het klinkt als niets. Maar het is een heerlijk gevoel. Vanaf nu alleen maar 12 kilometer neerwaarts naar het eindpunt? Met hopelijk nog heel veel water. Want dat is wel mijn mini-beloning: natte voeten betekenen koele voeten en daarmee koeler lijf.
De tel ben ik inmiddels kwijtgeraakt, maar ik denk dat hier op het dak van de trail ik zo’n 15-20 keer een rivier doorgestoken ben. Soms kniediep, soms enkeldiep.
Onderweg maak ik soms een praatje met iemand, allemaal ervaren rotten in dit gebied. En het is fijn om samen met hen op te lopen. Om vervolgens mijn eigen weg weer te vervolgen.
Het landschap gaat van een verhooide alpenweide over in een rotsige afdaling vol gaten en stenen. Ik voel me zeker en kan ook hier een flink deel gewoon hardlopend trotseren. Zoals een medeloper zegt: ‘in zijn vrij naar beneden, ik stop vanzelf weer’
Want we blijven steeds kleine klimmetjes houden en vanuit de verte zie ik de donkerblauwe, bijna zwarte lucht aan komen. Het begint te waaien en binnen een kwartier regent het warm water. Dit is toch heerlijk? Zo mag het altijd wel zijn.
Eenmaal afgedaald, nog 5 kilometer te gaan start een nieuwe omgeving. Weer schakelen. Deze keer naar brede rivieren en beken. Tientallen keren trotseer ik de sterke stroming, soms tot ruimschoots mijn bovenbenen. En het is werkelijk een feestje.
De ultra’s komen samen en bizar om te zien hoe fit de meesten nog zijn. Dit is een voorbeeld hoor. 06.00 uur vertrokken en nu, rond 16 uur nog zo fit als een hoentje. Ik probeer wat aan te haken, gewoon, omdat het leuk is.
Dan blijk ik de laatste rivier doorgestoken te zijn. Want het bord verschijnt: ‘Legend Status Loading’. En ik realiseer me: ik hoef voor niemand een legende te zijn. Alleen voor mezelf. Ik heb iets gepresteerd dat slechts een enkeling ooit voor elkaar gekregen heeft.
Waar ik 2 maanden geleden nog blij was dat ik ‘nog maar’ 100 kilometer moest lopen, wil ik het liefst nog uren zo blijven lopen. Wil ik dat dit eigenlijk nooit stopt. Want dit is toch wel het aller, allermooiste wat ik ooit gedaan heb.
En dit is het begin van een nieuw avontuur. Op welke wijze, dat vormt zich. Maar deze reis is nooit afgelopen.
En zo kom ik ook over de finish. Eigenlijk nog een beetje beduusd. René staat me op te wachten. Met zijn unieke verhaal.
Samen hebben we werkelijk de run van ons leven gehad. Mijn run heeft 4 jaar geduurd. Die van hem 15 kilometer. Maar wat zijn we een team. Samen!
