“Noorderlijker dan dit zal ik nooit komen”, mijmerde ik toen ik in 2008 op Knivsjelödden stond, het meest noordelijke stukje vasteland van het Europees continent in Noorwegen. Want Spitsbergen is voor wetenschappers en ijsberen. En heel veel anderen heb ik inmiddels geleerd.
Vier jaar later nam ik de stap naar Spitsbergen. Ik weet niet eens meer wat me bewoog om me voor die voetreis in te schrijven. Gewoon, de nieuwsgierigheid denk ik.
Ik kocht op Marktplaats voor €30 een volgens mij al vierdehands rugzak van 60 liter, vond een lekker warme slaapzak, had nog wel een paar vrolijke wandelsokken liggen. Ergens een afritsbroek geleend en ik kocht wel een nieuwe regenjas.
Dat laatste leek me wel handig. Met al die materialen was ik wel klaar voor het avontuur. Materieel gezien dan. Want ik moest wel nog een beetje trainen. 18 kilometer probleemloos wandelen was het minimum. Met zo’n 15-20 kilo aan materiaal op je rug.
“Ja hoor, komt ze weer met die tas…”
“Hoeveel kilo stenen heb je er nu in zitten”
Het waren zomaar wat opmerkingen die ik iedere keer als ik met mijn trainingsrugzak vol gaten liep hoorde. Want ja, het is natuurlijk wel een beetje bijzonder als iemand met 18 kilo aan stenen en gewichten in een rugzak iedere dag op het werk verschijnt.
En toch was dat niet voor niets. Want ik werd met de week sterker en hield de voorbereiding op mijn reis moeiteloos vol. Waar ik in IJsland last van mijn knieën kreeg toen we de Eyäfjällajökul opliepen drie jaar geleden, was alle kniepijn als sneeuw voor de zon verdwenen. Het vraagt natuurlijk wel discipline. Maar hé, dat is toch logisch!
Op zondagen liep ik mijn lange afstanden. Vaak 18 kilometer en omdat we hier vooral asfalt hebben, in zo’n hoog mogelijk tempo. Zolang ik zweette was het wel goed, vond ik. Regen, wind, zon of ideaal wandelweer: ik liep. En ik werd steeds sterker. En dat voelde goed!
Daar sta je dan, met je wankele tasje. Onder het motto: ‘Als ik dit niet leuk vind, ben ik er in ieder geval geweest en ben ik er geen buil aan gevallen’ vertrok ik richting Spitsbergen via Oslo. En het begon al goed, wat een fijne groep zeg! Op Spitsbergen zou de Belgische reisgenoot Jo nog aansluiten. De tenten werden verdeeld en ja hoor, ik deelde mijn tent met Jo. Die ik nog nooit gezien had. Oke, prima.
En dat bleek een gouden greep. Met 2 andere jongens was het gelijk een goede klik. Babbelen, lachen, soms tranen van het lachen. Op de camping, de meest noordelijke ter wereld, was het even wennen aan het 24/7 daglicht. Gelukkig was het prachtig weer. Die eerste 2 dagen…
De derde nacht brachten we aan het fjord door. Door de onoverzichtelijke locatie moesten we met twee man wachtlopen. Loeizwaar want dat betekende dat je sowieso twee verstoorde nachten had. In de regen en wind. Zeker tijdens een zogenoemde graveyard-shift waarbij je zowel voor als na de wacht niet meer fatsoenlijk in slaap komt.
Echter, wat je niet afmaakt, maakt je sterker. Dus hup, de volgende dag weer in de benen. En omdat mijn schoenen toch door en door nat waren, vond ik het niet meer nodig om tijdens het doorwaden van een gletjer-rivier mijn sandalen aan te trekken. Ik liep de rest van de dagen wel op neopreen sokken en mijn wandelschoenen. Weken na de tocht kwam de huid eindelijk los: de blaren zaten bijna een halve centimeter diep. Maar pijn had ik niet
Na weer een halve dag lopen komen we bij een brede, bijna kolkende rivier aan. Wat gaan we doen… Er is slechts één mogelijkheid: met z’n drieën in elkaar gehaakt de overkant bereiken. Broeken zoveel mogelijk uit en daar gaan we.
Ik vraag me werkelijk af wat ik hier ook al weer leuk aan vond. Echt, ik kan me niets bedenken. Ik heb trek, voel me leeg, intens moe en denk dat ik mijn limiet na 3 dagen ploeteren door het sompige moeras wel bereikt heb. Door en doorkoud ben ik, nat en voel me echt niet happy op dit moment.